Geplaatst om 04:00 op 23 augustus 2018 door Tussendoor

Sociaal plan omvatte geen regeling vervroegde uittreding

Een regeling voor vervroegde uittreding (rvu) is een regeling die (nagenoeg) uitsluitend ten doel heeft om de periode tot het ingaan van de uitkeringen uit een pensioenregeling of de AOW te overbruggen door het doen van een of meer uitkeringen of een regeling die pensioenuitkeringen van de werknemer aanvult. Dergelijke regelingen zijn fiscaal niet meer toegestaan. Wanneer een regeling als rvu wordt aangemerkt, is daarop een pseudo-eindheffing van 52% van toepassing. Die heffing komt voor rekening van de werkgever. Vertrekregelingen van werkgevers lopen het risico als rvu te worden aangemerkt, vooral wanneer ze gericht zijn op oudere werknemers en een vergoeding omvatten die lijkt op compensatie voor gemist inkomen tot de pensioendatum. In een sociaal plan bij een reorganisatie worden vaak financiële compensatieregelingen opgenomen voor werknemers die, al dan niet gedwongen, afvloeien.

De Wet op de loonbelasting biedt werkgevers de mogelijkheid om een regeling voor te leggen aan de inspecteur met de vraag of al dan niet sprake is van een rvu. Bij de beoordeling van de regeling houdt de inspecteur alleen rekening met de objectieve kenmerken en voorwaarden van de regeling. Er is sprake van een rvu als de regeling uitkeringen of verstrekkingen omvat die bedoeld zijn ter overbrugging of aanvulling van het inkomen van de werknemer tot de pensioendatum. Bij de beoordeling of een regeling een rvu is, doen de beweegredenen van de werkgever niet ter zake. Dat geldt ook voor de intenties en keuzes van werknemers om van de regeling gebruik te maken. De feitelijke uitstroom en de hoogte van de betaalde beëindigingsvergoedingen zijn niet van belang voor de beoordeling van een regeling omdat die factoren niet behoren tot de objectieve kenmerken en voorwaarden van de regeling.

Hof Den Bosch oordeelde dat een in een sociaal plan opgenomen vertrekregeling geen rvu was. Het sociaal plan was opgesteld in verband met een reorganisatie en omvatte onder meer een vrijwilligers- en plaatsmakersregeling. Gebruikmaken van de regeling kon alleen met uitdrukkelijke goedkeuring van de werkgever. Aan vertrekkende werknemers werd een beëindigingsvergoeding betaald op basis van de vroegere kantonrechtersformule. De vergoeding was gemaximeerd op de te verwachten inkomensderving tot de AOW-gerechtigde leeftijd, rekening houdend met eventuele uitkeringsrechten van de werknemer. De uitkeringen hielden volgens het hof geen verband met de (pensioengerechtigde) leeftijd of de pensioendatum van de werknemer.

De staatssecretaris ging tegen de uitspraak van het hof in cassatie. Hoewel het hof ten onrechte de feitelijke uitstroom van werknemers en de hoogte van de uitbetaalde beëindigingsvergoedingen in zijn overwegingen heeft betrokken, is het oordeel van het hof dat geen sprake is van een rvu volgens de Hoge Raad juist.

Loonbelasting van Anema

01 oktober 2020

De staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat heeft de tarieven voor de WBSO voor 2021 bekend lees meer

04 mei 2017

Wie geregeld op de weg van huis naar werk of van werk naar huis in de file staat, kijkt wel eens lees meer

Stel uw vraag aan de specialisten van Anema. Wij helpen u graag.

Stel uw vraag