Geplaatst om 04:00 op 19 september 2019 door Tussendoor

Overige fiscale maatregelen 2020

Zoals te doen gebruikelijk bevat het jaarlijkse Belastingplan een wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen. De maatregelen in dit wetsvoorstel hebben geen gevolgen voor de koopkracht, maar het kabinet vindt het wenselijk dat deze maatregelen per 1 januari 2020 in werking treden. Het wetsvoorstel bevat onder meer de volgende maatregelen:

  • het aanpassen van de S&O-afdrachtvermindering;
  • het openbaar maken van vergrijpboeten opgelegd aan medeplegers die beroeps- of bedrijfsmatig bijstand verleenden;
  • het aanpassen van de tonnageregeling;
  • het aanpassen van de definitie vaste inrichting in het kader van het multilateraal instrument (MLI);
  • de implementatie van de Worldwide harmonized Light vehicles Test Procedure (WLTP) om de hoogte van de CO2-uitstoot van een motorrijtuig te bepalen;
  • de keuzeregeling elektronisch berichtenverkeer;
  • het aanpassen van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting en de erfbelasting;
  • een aantal technische wijzigingen.

S&O-afdrachtvermindering
Uit de evaluatie van de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO) is naar voren gekomen dat een deel van de gebruikers van de afdrachtvermindering S&O de huidige systematiek onvoldoende vindt aansluiten bij hun manier van werken. Het betreft de lange doorlooptijd van de beoordeling van een S&O-aanvraag en het beperkte aantal aanvraagmomenten per jaar. Voorgesteld wordt het aantal momenten waarop een S&O-verklaring kan worden aangevraagd uit te breiden van drie naar vier per jaar. Verder wordt voorgesteld om het uiterste moment van indienen van een aanvraag te stellen op de dag voorafgaand aan de periode waarop de aanvraag betrekking heeft in plaats van ten minste een maand voorafgaand aan die periode. Hierop wordt een uitzondering gemaakt voor aanvragen die betrekking hebben op de periode die ingaat op 1 januari van een kalenderjaar. Daarvoor geldt als uiterste indieningsdatum 20 december van het voorafgaande kalenderjaar. Er komt een delegatiebepaling in de Wet Vermindering Afdracht om regels te kunnen stellen over de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding in geval van een verstoring van het digitale loket.

Openbaar maken vergrijpboeten
In de strijd tegen belastingontduiking acht het kabinet het noodzakelijk om onherroepelijk geworden vergrijpboeten, die aan beroepsbeoefenaars op grond van medeplegen zijn opgelegd, openbaar te maken. Het enige doel van de maatregel is om het publiek voor te lichten over beroepsbeoefenaars die door middel van medeplegen belastingontduiking of toeslagfraude faciliteren. Over het algemeen zal het gaan om belastingadviseurs, notarissen, accountants en advocaten. Het voorstel heeft enkel betrekking op een vergrijpboete die is opgelegd aan een medeplegende beroepsbeoefenaar. Het beboetbare feit moet zijn begaan tijdens de beroeps- of bedrijfsmatig verleende bijstand aan een belastingplichtige of toeslaggerechtigde.

Aanpassen inkeerregeling
Naar aanleiding van een toezegging bij de behandeling van het Belastingplan 2019 wordt de inkeerregeling aangepast. Boetevrije inkeer wordt uitgesloten voor inkomen uit aanmerkelijk belang. Het onderscheid tussen inkomen dat in het buitenland is opgekomen en inkomen dat in het binnenland is opgekomen wordt weggenomen. Hierdoor geldt de inkeerregeling niet meer voor inkomen in box 3.

Aanpassen tonnageregeling
De tonnageregeling biedt de mogelijkheid om de winst uit zeescheepvaart forfaitair vast te stellen aan de hand van de scheepstonnage. Grondslag voor de heffing is een bedrag per nettoton van de geëxploiteerde kwalificerende schepen.

Per 1 januari 2020 wordt de tonnageregeling gewijzigd. De wijzigingen betreffen schepen in tijd- of reischarter, het vlagvereiste en andere werkzaamheden dan vervoer van zaken of personen in het internationale verkeer over zee.

Reis- en tijdcharter
Het jaartotaal van de nettodagtonnages van de in een jaar in tijd- of reischarter gehouden schepen die niet de vlag voeren van EU-lidstaat of van een EER-land mag niet meer bedragen dan 75% van het jaartotaal van de nettodagtonnages van alle schepen die voor de tonnageregeling in aanmerking komen. De tonnage van een schip waarvan een belastingplichtige mede-eigenaar is, wordt naar rato van de mede-eigendom in aanmerking genomen, tenzij de belastingplichtige zowel het volledige bemannings- en technische beheer als het commerciële beheer van dat schip verricht.

Vlagvereiste
De tweede wijziging die wordt voorgesteld betreft het vlagvereiste. Het uitgangspunt is dat schepen  onder de tonnageregeling de vlag voeren van een EU- of EER-land. De huidige tonnageregeling kent drie uitzonderingen op het vlagvereiste. Het is niet langer mogelijk dat een reder gebruik maakt van de tonnageregeling terwijl hij in zijn vloot geen enkel schip heeft dat de vlag voert van een EU/EER-land.  Het vlagvereiste gaat ook gelden voor scheepsmanagers. Scheepsmanagers verrichten het volledige bemannings- en technische beheer van een schip voor een ander. Voor schepen waarvoor op 31 december 2019 gebruik wordt gemaakt van de tonnageregeling gelden de voorgestelde aanpassingen met betrekking tot het vlagvereiste pas na afloop van het eerste boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2029.

Winstplafond voor niet-vervoerswerkzaamheden
De ruimte om winst die is toe te rekenen aan niet-vervoerswerkzaamheden onder het bereik van de tonnageregeling te brengen wordt beperkt. Het deel van de winst dat afkomstig is uit niet-vervoerswerkzaamheden mag niet meer bedragen dan 50% van de totale jaarwinst die wordt behaald met de exploitatie van een voor het vervoer van zaken of personen in het internationale verkeer over zee bestemde schip. Is sprake van overschrijding van dit winstplafond, dan komt het deel van de winst dat moet worden toegerekend aan de niet-vervoerswerkzaamheden niet voor de tonnageregeling in aanmerking maar valt onder de reguliere winstbepalingsregels.

Aanpassen definitie vaste inrichting
De aanwezigheid van een vaste inrichting is een aanleiding voor een staat om tot belastingheffing van een niet in die staat gevestigd lichaam of een niet in die staat woonachtige persoon over te gaan. Voorgesteld wordt om voor de invulling van de definitie van het begrip vaste inrichting in de inkomstenbelasting, de loonbelasting en de vennootschapsbelasting aan te sluiten bij de definitie in het van toepassing zijnde belastingverdrag. Voor niet-verdragssituaties wordt met dit wetsvoorstel de definitie van het begrip vaste inrichting in lijn gebracht met de meest recente versie van het modelverdrag van de OESO. Onder de voorgestelde wijzigingen vallen ook wijzigingen met betrekking tot de vaste vertegenwoordiger.

Herzien van de earningsstrippingbeschikking
De earningsstrippingmaatregel beperkt voor de vennootschapsbelasting de aftrekbaarheid van het saldo aan rente. Dit saldo is het verschil tussen de aftrekbare rentelasten van geldleningen en de belastbare rentebaten van geldleningen. De aftrekbaarheid van het saldo aan renten is beperkt tot maximaal 30% van de EBITDA of tot maximaal € 1 miljoen, indien dat hoger is dan 30% van de EBITDA. Het niet-aftrekbare saldo aan renten komt in het volgende jaar in aftrek voor zover in dat jaar na toepassing van de earningsstrippingmaatregel op het saldo aan renten van dat jaar ruimte voor aftrek resteert. De inspecteur stelt het niet-aftrekbare saldo aan renten vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Voorgesteld wordt dat een beschikking kan worden herzien als sprake is van een nieuw feit, kwade trouw of een voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbare fout. Ook wordt geregeld dat hiervoor eenzelfde termijn geldt als ook voor navordering van te weinig geheven belasting geldt. Verder zal een beschikking worden gegeven indien het voortgewentelde saldo aan renten van een eerder jaar in aftrek komt bij het bepalen van de winst van een later jaar.

Aanpassen afvalstoffenbelasting
Om dubbele belastingheffing te voorkomen wordt in de Wbm geregeld dat het verwijderen van verbrandingsresten van afval in de eigen inrichting buiten de heffing van afvalstoffenbelasting valt. Dit geldt slechts voor zover de verbrandingsresten zijn ontstaan door het verbranden van  afval waarover afvalstoffenbelasting is geheven. In andere situaties blijft de verwijdering van verbrandingsresten binnen de inrichting waarin deze zijn ontstaan een belastbaar feit.

Gebruik WOZ-waarden door derden
Tot en met 30 september 2016 bevatte de Wet WOZ een bepaling met een delegatiegrondslag voor het aanwijzen van derden die het waardegegeven van een onroerende zaak, die in hoofdzaak tot woning dient, kunnen opvragen en die bevoegd zijn tot gebruik daarvan voor een specifiek omschreven doel. Bij nader inzien had deze bepaling niet moeten worden vervangen. Voorgesteld wordt de oude bepaling met terugwerkende kracht tot en met 1 oktober 2016 her in te voeren.

Keuzeregeling elektronisch berichtenverkeer
Er wordt een keuzeregeling ingevoerd waardoor de burger kan kiezen of hij berichten van de Belastingdienst elektronisch of per post toegezonden wil krijgen. De keuzeregeling geldt niet voor de douanewetgeving. Het keuzerecht betreft de berichten die de Belastingdienst naar de burger verzendt, zoals een aanslag inkomstenbelasting. De gemaakte keuze geldt in beginsel voor alle uitgaande berichten van de Belastingdienst. Voor berichten aan de Belastingdienst stelt de Belastingdienst voor steeds meer berichten op termijn zowel een digitale als een papieren weg open. Voor bepaalde berichten, groepen personen en omstandigheden gelden uitzonderingen op het keuzerecht. De datum van inwerkingtreding zal bij koninklijk besluit worden vastgesteld.

Spontane aangifte
De wettelijke verplichting tot het doen van aangifte ontstaat door een uitnodiging tot het doen van aangifte. Een ingediend aangiftebiljet zonder uitnodiging tot het doen van aangifte is een spontane aangifte. De spontane aangifte kan zich voordoen bij alle belastingmiddelen. Omdat bij een spontane aangifte de wettelijke aangifteplicht ontbreekt, kunnen verschillende wettelijke correctie- en sanctiebevoegdheden van de inspecteur niet worden ingezet. Voorgesteld wordt de AWR aan te passen waardoor aan spontane aangiften bij aanslagbelastingen de wettelijke correctie- en sanctiebevoegdheden worden verbonden die gelden bij aangiften die na een uitnodiging tot het doen van aangifte worden ingediend.

Aanpassen belastingrente vennootschapsbelasting
Een aangifte voor de vennootschapsbelasting is tijdig wanneer deze wordt ingediend voor de eerste dag van de zesde maand na afloop van het aangiftejaar. Onder de huidige regeling wordt bij een aanslag vennootschapsbelasting die wordt vastgesteld overeenkomstig een tijdig ingediende aangifte belastingrente in rekening gebracht als die aangifte na de eerste dag van de vierde maand  wordt ingediend. Dat is onwenselijk. Daarom wordt voorgesteld geen belastingrente in rekening te brengen als de aangifte vennootschapsbelasting tijdig wordt ingediend en de aanslag conform de aangifte wordt vastgesteld.

Aanpassen belastingrente erfbelasting
De aangiftetermijn voor de erfbelasting vangt aan op de dag van overlijden van de erflater. Met ingang van 1 januari 2019 wordt, als binnen de aangiftetermijn voor de erfbelasting aangifte wordt gedaan of om een voorlopige aanslag wordt verzocht, geen belastingrente in rekening  gebracht als de aanslag wordt vastgesteld overeenkomstig de aangifte of het verzoek. Voorgesteld wordt om ook geen belastingrente in rekening te brengen als de aangiftetermijn op een ander moment is gaan lopen dan het overlijden, mits het verzoek om een voorlopige aanslag of de aangifte is ontvangen binnen de in de betreffende situatie geldende aangiftetermijn en de aanslag erfbelasting wordt vastgesteld overeenkomstig dat verzoek of die aangifte.

Implementatie WLTP-testmethode in de autobelastingen
In dit wetsvoorstel worden wijzigingen voorgesteld ter implementatie in de autobelastingen van de nieuwe geharmoniseerde testmethode om de CO2-uitstoot van lichte voertuigen vast te stellen. Het betreft de invoering van de Worldwide harmonized Light vehicles Test Procedure (WLTP) ter vervanging van de oude testmethode, de New European Driving Cycle (NEDC). De hoogte van de CO2-uitstoot van personenauto’s is bepalend voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm). In de motorrijtuigenbelasting geldt een halftarief voor auto’s met een zeer lage CO2-uitstoot van maximaal 50 g/km.

De definitie van de CO2-uitstoot als heffingsgrondslag van de bpm wordt aangepast. Ook de tarieven en de CO2-schijven in de Wet BPM 1992 worden aangepast om aan te sluiten bij de WLTP-testmethode. Uitgangspunt van deze aanpassingen is het voorkomen dat de totale bpm-opbrengst verandert als gevolg van de implementatie van de WLTP-testmethode. Deze aanpassing moet per 1 juli 2020 in werking treden.

Overgangsrecht bpm
Voor de heffing van de bpm gelden in beginsel voor alle nieuwe auto’s die per 1 juli 2020 te naam gesteld worden de nieuwe tarieven. Wanneer deze leiden tot een verhoging van de bpm kan tot 2 maanden na inwerkingtreding van deze wet aanspraak worden gemaakt op de Wet BPM 1992 zoals deze gold voor de tariefsaanpassing. Voor auto’s, die op of na 1 juli 2020 voor het eerst in Nederland worden geregistreerd waarvan de CO2-uitstoot uitsluitend is vastgesteld conform de NEDC-testmethode en die voor de bpm als nieuwe auto worden aangemerkt, geldt de Wet BPM 1992 zoals deze luidde op 30 juni 2020.

Dieseltoeslag
Benzineauto’s  met compressieontsteking worden uitgezonderd van de dieseltoeslag in de bpm, omdat deze auto’s niet profiteren van het lagere accijnstarief van diesel.

Halftarief MRB voor zeer zuinige auto’s
In de motorrijtuigenbelasting geldt een halftarief voor personenauto’s met een CO2-uitstoot van niet meer dan 50 g/km. In de praktijk voldoen alleen sommige plug-in hybrides aan deze grens. De grens van 50 g/km wordt niet aangepast bij toepassing van de WLTP-testmethode. Indien het Wetsvoorstel uitwerking fiscale vergroeningsmaatregelen Klimaatakkoord en Urgenda in de ingediende vorm tot wet wordt verheven geldt het halftarief in de MRB voor zeer zuinige auto’s tot 1 januari 2025. In 2025 geldt een driekwarttarief. Vanaf 1 januari 2026 vervalt de korting.

Aanpassen van de fijnstoftoeslag
Het leeftijdscriterium van de fijnstoftoeslag bij dieselpersonenauto’s wordt geschrapt. Het betreft voertuigen die na 1 september 2009 zijn toegelaten en de fijnstofnorm overschrijden. Zij worden door het voorstel in de heffing betrokken. Dieselpersonenauto’s die zijn toegelaten na 1 september 2009 en waarvan geen fijnstofuitstoot is geregistreerd blijven met dit voorstel het “voordeel van de twijfel” houden. Voor deze groep wordt de fijnstootuitstoot geacht lager zijn dan de 5 mg/km, waardoor deze voertuigen niet in de heffing worden betrokken. Van de gelegenheid wordt gebruikgemaakt om te regelen dat als de fijnstofuitstoot niet bekend is doordat het af-fabriek roetfilter is verwijderd de heffing niet kan worden ontlopen. Voorgesteld wordt dat als het af-fabriek roetfilter is verwijderd het betreffende voertuig geacht wordt de fijnstofnorm te overschrijden. Tegenbewijs is mogelijk.

Belastingplan van Anema

20 september 2018

Een deel van de Europese richtlijn voor btw-verplichtingen voor diensten en afstandsverkopen van lees meer

01 november 2018

De staatssecretaris van Financiën heeft de nota’s naar aanleiding van het verslag betreffende het lees meer

Stel uw vraag aan de specialisten van Anema. Wij helpen u graag.

Stel uw vraag